Het vastleggen van energie

  1. Vorming van ATP
  2. De energie die vrijkomt bij de dissimilatie wordt vastgelegd in ATP (fosforylering).

    ADP + Pi + E → ATP


    De energie kan weer vrijkomen door de afsplitsing van de derde fosfaatgroep. Deze energie wordt gebruikt voor allerlei levensprocessen, bijvoorbeeld: assimilatie, beweging, actief transport, etc.

  3. Energierijke elektronen die vrijkomen, worden gebonden aan NAD (NADP bij de fotosynthese of FAD).
  4. 4 e- + 2 NAD+ + 2 H+ → 2 NADH


    We noemen NAD een elektronenacceptor of waterstofacceptor. NAD noemen we geoxideerd, NADH noemen we gereduceerd.


Dissimilatie van glucose

  1. Anaëroob (gisting)
  2. Alcoholische gisting: C6H12O6 + 2 ADP + 2 Pi → 2 C2H6O + 2 CO2 + 2 ATP

    Melkzuurgisting: C6H12O6 + 2 ADP + 2 Pi → 2 C3H6O3 + 2 ATP

  3. Aëroob (verbranding)
  4. C6H12O6 + 6 CO2 + 6 H2O + 38 ADP + 38 Pi → 6 CO2 + 12 H2O + 38 ATP (brutoreactie)


    De aërobe dissimilatie van glucose bestaat uit drie stappen:


    • Glycolyse (in cytoplasma)
    • De afbraak van één C6 molecuul in twee C3 moleculen. Er ontstaat ATP en NADH2


    • Citroenzuurcyclus (in mitochondriën)
    • Decarboxylering vindt plaats. Er ontstaat NADH2, FADH2 en GTP. Er ontstaan CO2-moleculen.


    • Oxidatieve fosforylering (ook wel ademhalingsketen)
    • De energierijke elektronen van NADH2, FADH2 en GTP worden via verschillende electronenacceptoren doorgegeven. De energie die hierbij vrijkomt, wordt vastgelegd in ATP.


    Eén glucosemolecuul bevat 2830 kJ aan energie. Hiervan komt 2/3 vrij in de vorm van warmte en 1/3 wordt vastgelegd in 38 ATP moleculen.

Links

Glycolyse

Citroenzuurcyclus

Ademhalingsketen

Overzicht aërobe dissimilatie